PPID bij paarden

 ‚ÄčPPID staat voor Pituitary Pars Intermedia Dysfunction. De ziekte werd vroeger ‘Ziekte van Cushing’ genoemd. Nu we meer van de achtergronden weten, blijkt deze naam niet juist. Kortweg is PPID een storing in de hormoonafgifte in het hersenaanhangsel (hypofyse) van een paard. Er werd tot nu toe vanuit gegaan dat de aandoening vooral bij oudere paarden voorkomt.

Uit onderzoek in Groot Brittannië en Australië is namelijk gebleken dat 20 tot 30% van de paarden, ouder dan vijftien jaar, PPID heeft. Echter sinds paarden er vaker en ook op jongere leeftijd op onderzocht worden, wordt meer en meer duidelijk dat PPID ook bij jongere paarden voorkomt. Vanaf een zeven jarige leeftijd is het al mogelijk dat de ziekte wordt vastgesteld.

 

Bij paarden met PPID geeft het hersenaanhangsel (dat zich onderaan de hersenen bevindt) te veel hormonen af. Dit teveel aan hormonen kan verschillende symptomen geven. Het meest bekend is de lange, krullerige vacht en het slechte verharen. Dit symptoom maakt, in het gevorderde stadium van de ziekte, een snelle herkenning mogelijk.

 

In de fase daarvoor, waarin de ziekte zich langzaam ontwikkelt, kunnen ook andere, minder

 specifieke symptomen voorkomen. Een voorbeeld daarvan is dat bij paarden met PPID hoefbevangenheid kan optreden. In het najaar is PPID zelfs in ongeveer 70% van de gevallen de veroorzaker van deze ernstige hoefaandoening. Hoefbevangenheid kan het eerste symptoom zijn van de ziekte, dus nog voordat er bijvoorbeeld een krullerige vacht zichtbaar is. Bij een paard dat spontaan hoefbevangen wordt, zonder dat een andere oorzaak voor is aan te wijzen (bijvoorbeeld losbreken en veel krachtvoer eten), is het verstandig het dier te laten onderzoeken op PPID.

Vermindering van de prestaties kan ook één van de eerste symptomen zijn. Recent werd er bijvoorbeeld via een bloedonderzoek bij de GD bij een achtjarig springpaard deze diagnose gesteld. De enige klacht die het paard vertoonde was dat het paard wat slomer was en het niveau waarop het sprong (1.30 m.) niet meer goed aankon. Andere symptomen die bij PPID gezien kunnen worden zijn o.a.: veel drinken en veel plassen, gevoeliger voor infecties, onvruchtbaarheid, verlies van spieren en een buikig model en abnormaal zweten.

 

Sinds een aantal jaar is het makkelijker om goed onderzoek uit te voeren naar PPID. Een bloedmonster in een EDTA-buis (paarse dop) is voldoende om een bepaling te doen van het hormoon ACTH en zo de diagnose betrouwbaar te stellen. Een voorwaarde is wel dat het monster snel gekoeld wordt. De beste tijd om een onderzoek uit te voeren is in het najaar (augustus t/m oktober). Het blijkt namelijk dat paarden met PPID dan een relatief hogere bloedspiegel aan ACTH hebben, dan paarden die de ziekte niet hebben.

PPID is nog niet te genezen, maar met medicatie is de ziekte wel te behandelen. De negatieve gevolgen kunnen zo langdurig en effectief worden voorkomen. De medicatie remt de hormoonproductie in het hersenaanhangsel. Daardoor heeft het paard minder risico op complicaties van PPID, zoals hoefbevangenheid en vermindert presteren.

Ook met het aanpassen van het management kan het paard geholpen worden. Denk hierbij aan het aanpassen van de voeding (niet te suikerrijk) en de weidegang. Door een verstoorde suikerstofwisseling zijn paarden met PPID namelijk extra gevoelig voor suikers (dus ook fructaan uit het gras) en raken zij sneller hoefbevangen. Voer speciaal voor oudere paarden kan ondersteuning bieden. Hier zit namelijk weinig zetmeel en suiker in, maar anderzijds bevat het juist meer aminozuren, olie en vitamine E. Hieraan heeft een paard op leeftijd extra behoefte. Naast voeraanpassingen is het belangrijk om bijvoorbeeld wondjes snel te behandelen en het gebit en de hoefverzorging op tijd te doen.

 * bron: gezondheidsdienst Deventer